Het veld vol wilde bloemen

Het veld vol wilde bloemen

Er was eens een veld dat vol stond met prachtige bloemen in allerlei kleuren. Het waren wilde bloemen; niemand had ze geplant; ze kwamen daar op en groeiden helemaal vanzelf. Sommige kwamen uit zaad dat door de wind verspreid was. Andere kwamen uit zaad dat door eekhoorns was verborgen als voorraad en vervolgens vergeten was. Nog weer andere bloemen groeiden uit zaad dat overvliegende vogels hadden laten vallen. Zaad dat klitte in de vacht van kleine dieren, werd zo ook over het veld verspreid.

Omdat er in de buurt van dit veld zoveel dieren en vogels waren en omdat de krachtige wind ook vaak zaadjes meedroeg, groeiden er zo ver als het oog kon zien bloemen in alle kleuren en soorten. Er groeiden grote witte margrieten en kleine rode bloemetjes. Er groeiden paarse irissen en langs de beek die door het veld stroomde, stonden blauwe vergeet-mij-nietjes. Iederen die langs het veld liep, zei hoe prachtig het eruitzag.

Op een keer vloog er een vogel over die van heel ver weg kwam. Toen ze over het veld vloog, liet ze 2 zaadjes vallen. Deze zaadjes groeiden uit tot 2 prachtige roze bloemen die anders waren dan alle andere bloemen in het hele veld. Omdat ze zo ongewoon waren, zeiden de bloemen tegen elkaar: ‘wij zijn anders. Er zijn in dit veld geen andere bloemen zoals wij.’

De andere bloemen zagen het verschil ook. Al gauw begonnen ze de roze bloemen uit te schelden. ‘Er klopt iets niet aan jullie. Jullie lijken niet op ons,’ zei de ene bloem. ‘Jullie kleur is fout,’ zei een andere. ‘Jullie zijn van het verkeerde model,’ zei nummer drie, ‘en jullie blad is te groen.’

De 2 roze bloemen vonden het niet leuk om zo afgewezen te worden. Toen gebeurde er iets vreemds….. De roze bloemen begonnen de lelijke dingen die de andere bloemen zeiden, te geloven. Als snel herhaalden ze de gemene scheldwoorden tegen zichzelf. ‘We zijn lelijk. Die andere bloemen zijn beter dan wij. Wij zijn niet zo mooi als de rest. Wij hebben niet zulke mooie kleuren en we ruiken niet zo lekker.’ omdat ze geloofden dat ze anders waren en dus ook lelijk, hielden de roze bloemen zich schuil, zodat niemand die naar het veld kwam hen zou zien.

Op een keer bracht een lerares haar klas naar dit veld voor de biologieles. Elke leerling had de opdracht zo veel mogelijk verschillende bloemen te zoeken. De leerlingen vonden margrieten, irissen, vergeet-mij-nietjes. Ze ontdekten anemonen en kamperfoelie. Toen de roze bloemen merkten dat de leerlingen overal op zoek gingen, huiverden ze van angst. Ze waren bang dat de leerlingen zouden zien hoe lelijk en anders ze waren, als ze ontdekt werden.

Het toeval wilde dat een van de leerlingen, die heel leergierig was, heel grondig op zoek ging naar een ongewone bloem. Toen ze de 2 roze bloemen zag, riep ze hard: ‘Kijk eens wat ik gevonden heb! Kom eens kijken! Ik heb bosorchideeën gevonden. Die komen hier eigenlijk niet voor. Ze zijn heel zeldzaam en heel mooi.’

Alle kinderen uit de klas kwamen aanrennen om naar de pas ontdekte bloemen te kijken. Ze waren allemaal verbaasd. ‘Wauw, die bloemen zijn zo bijzonder,’ merkte een van de leerlingen op, ‘het is echt een wonder dat ze hier groeien; het zijn heel speciale bloemen en ze zijn heel zeldzaam. Tjonge, wat geweldig dat je ze hebt ontdekt.’

De lerares waarschuwde de leerlingen dat ze die zeldzame bloemen niet moesten plukken, zodat ze zaadjes voor nieuwe plantjes zouden voortbrengen. Een aantal leerlingen nam foto’s van de mooie roze bloemen om thuis aan hun ouders te laten zien.

Nadat de schoolklas weer vertrokken was, begonnen de 2 roze bloemen te praten. ‘Wat zeiden ze nou?’, vroeg de ene bloem. ‘Ze zeiden dat we zeldzaam waren en kostbaar, en dat we hier eigenlijk niet voorkomen,’ antwoordde de andere. ‘Ze zeiden dat we mooie bloemen zijn en ze hebben zelfs foto’s van ons genomen.’

Een van de andere bloemen bij hen in het veld probeerde de bosorchideeën te laten vergeten dat ze complimentjes hadden gekregen van de schoolklas. ‘Nou ik heb het niet gehoord hoor dat die kinderen dat zeiden,’ zei ze. ‘Jullie hebben het vast verkeerd gehoord.’ De roze bloemen hadden echter hele goede oren, en ze bleven de woorden onthouden en ze leerden ervan.

Al snel keken ze op een andere manier naar zichzelf. Ze hielden zich niet langer schuil achter de andere bloemen. Omdat ze op een nieuwe manier naar zichzelf keken, stonden ze fier rechtop en kregen ze steeds meer bloemen. Als snel waren hun bloemen de mooiste van het veld. De mensen die naar het veld kwamen, konden aan de roze bloemen zien dat ze nu begrepen dat ze bijzonder waren. ‘Ik kan niet geloven,’ merkte de ene bloem een keer op tegen de ander, ‘ dat we ooit dachten dat we lelijk waren en de moeite niet waard alleen maar omdat we anders zijn dan de andere bloemen hier. We zijn alleen maar anders dan de andere bloemen omdat een vogel onze zaadjes van ver weg hierheen heeft gebracht.’

Na het bezoek van de schoolklas zaten de roze bloemen lekker in hun vel, en het deed er niet toe wat de andere bloemen tegen hen zeiden. Toen er in het voorjaar een nieuwe en heel aparte bloem begon te groeien, zorgden de roze bloemen dat deze nieuwe bloem begreep dat anders zijn niets te maken heeft met of je de moeite waard bent.